dinsdag 22 februari 2011

Geschiedenis van het Algemeen Christelijk Vakverbond.

Het christelijke syndicalisme is ontstaan in de 19 de eeuw als gevolg van de industriële revolutie. Machines en fabrieken zorgden voor het ontstaan van een nieuwe beroepscategorie: de fabriekarbeider. Hun arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden waren erbarmelijk: werkdagen van meer dan 14 uur in ongezonde werkplaatsen en tegen een hongerloon.Kinderarbeid was schering en inslag. Arbeidersgezinnen leefden in erbarmelijke leefomstandigheden. Sociale voorzieningen waren onbestaande. Wie werkloos werd of een arbeidsongeval had was op zichzelf aangewezen.Het ongenoegen stak de kop op en er braken rellen uit. Het grote probleem was dat de arbeiders niet georganiseerd waren.

In die context ontstond de christelijke vakbeweging in ons land. De kiemen van de vakbeweging lagen in de textielindustrie. In die tijd was dit een belangrijke sector. Door de invoering van nieuwe weefgetouwen was de industriële revolutie daar het eerst merkbaar.
Op 4 maart 1857 werd in Gent de “Broederlijke Maatschappij der Wevers”opgericht en een maand later richtten de spinners hun “ Maatschappij der Noodlijdende Broeders “ op. Zij
waren de eerste vakverenigingen. Wat opviel was dat zij zich gematigd opstelden en open stonden voor alle arbeiders ongeacht hun politieke voorkeur of levensbeschouwing.Er ontstonden meningsverschillen omdat een radicale minderheid  inspiratie vond in het opkomende socialistische gedachtengoed  en koos voor de klassenstrijd als strategie om tot een rechtvaardige samenleving te komen. Een aantal textielarbeiders scheurden zich af en stichtten in 1886 de “Antisocialistische Katoenwerkersbond “. Hieruit zou later het ACV groeien De nadruk kwam te liggen op klassensamenwerking in plaats van klassenstrijd.
Ook arbeiders uit andere beroepen gingen zich organiseren. De kerk en de katholieke burgerij wilden een gemengde werking, arbeiders en patroons samen in één vereniging. Er ontstonden gemengde vakafdelingen in door de burgerij gepatroneerde gilden en werkmanskringen. Rond 1900 moesten die gemengde christelijke beroepsverenigingen plaats ruimen voor zelfstandige christelijke vakverenigingen, enkel voor en door arbeiders.

Ik leg hier de link met hoofdstuk 6 titel 4.3 blz.182 van “Zorg en de staat” waarin ik lees:
De vakbonden moesten hun hoge verwachtingen van ofwel zelfhulp ofwel een aanstaande revolutie opgeven en bovendien de krappe belangen van plaatselijke afdelingen of afzonderlijke bedrijfstakken overstijgen, voor ze zich tot een nationale verzekering konden bekeren. Verschillende beroepsgroepen moesten hun krachten verenigen, sektarische scheidslijnen moesten overbrugd worden, plaatselijke afdelingen dienden zich op provinciale, regionale en tenslotte nationale schaal te verenigen”.

In 1904 richtte de jonge Dominicanerpater Rutten het “ Algemeen Secretariaat der Christelijke Beroepsverenigingen”op. In 1908 kwam het Vlaams verbond tot stand en in 1909 de Waalse confederatie. In 1912 versmolten beide regionale federaties in één nationale confederatie, het “Algemeen Christelijk Vakverbond/ Confédération générale des Syndicats Chrétiens et libres de Belgique”.De Gentse syndicale voorman Gustaaf Eylenbosch werd
verkozen tot de eerste ACV-voorzitter.

Persoonlijke bedenking: in de hele discussie rond de splitsing van de sociale zekerheid zijn de vakbonden hier resoluut tegen. Zij wensen de sociale zekerheid op het nationale niveau te behouden. Je kan  pro of contra zijn maar als ik zie dat de vakbonden historisch gezien de omgekeerde weg hebben afgelegd ( van het plaatselijke regionale niveau naar het nationale niveau) kan dat hun houding verklaren.

In de jaren ’30 heerste er een economische crisis. Samen met de socialistische vakvereniging organiseerde het ACV in 1936 de “staking der 500.000 “. Het resultaat van deze succesvolle staking was:
● een week betaald verlof
● het principe van de 40 –urenweek
● gewaarborgd minimumloon en verhoogde kinderbijslagen
Het ACV werd door de socialistische vakbond en de overheid erkend als gesprekspartner.



De periode na de oorlog was een periode van geprogrammeerde welvaart via overleg.
Tussen 1944 en 1948 werden acht nationale arbeidsconferenties georganiseerd.
Mijlpalen:
1948: Wet op de organisatie van het bedrijfsleven. Die wet leidde tot de oprichting van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de Nationale Arbeidsraad.
1950: eerste sociale verkiezingen

 Jana Haemels.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten