Hoofdstuk 3 van “Zorg en de staat” schetst de evolutie van het lager onderwijs in Europa en Amerika sinds de 18 e eeuw. Rijken en gegoede burgers vonden het lager onderwijs voor de boerenkinderen onnodig ( gevaarlijk) omdat de boeren in opstand zouden kunnen komen of hogere ambities koesteren. De boeren zelf zagen het nut van onderwijs voor hun kinderen ook niet in. Ze waren hun hulp op het land kwijt.
Op blz. 66 lees ik “ Anderzijds waren boeren, knechts en armen ook niet bijzonder gediend van onderwijs voor hun kinderen. Zij hadden de helpende hand of de bijverdienste van de kinderen van zeer jongs af aan nodig Bovendien dachten ouders dat lezen en schrijven in het latere leven van weinig praktisch nut zouden zijn”.
Ik vergelijk deze situatie met deze van de zigeunerkinderen in onze maatschappij.
Het is zeer moeilijk om deze doelgroep te bereiken. Hun ouders zijn zich evenmin bewust van het nut van onderwijs voor hun kinderen. Ze moeten bedelen of helpen bij de broodwinning van hun ouders ( leurhandel, schroothandel enz.). In sommige steden ( vb. Leuven ) werden in het verleden projecten opgestart om zigeunerkinderen naar school te krijgen. Met subsidies van de Vlaamse Gemeenschap konden de kinderen worden opgehaald aan het woonwagenterrein. Het wegvallen van deze subsidies in 2002 had voor gevolg dat het aantal schoolgaande Roma kinderen terugviel van 34 naar 6.
Doelgroepen:
Voyageurs: autochtone afstammelingen van trekkende handelaars, meestal Nederlandstalig en verblijvend op gemeentelijke terreinen.
Manoesjen: sinds 15 e eeuw in onze streken, spreken als eerste taal Manoesj en tweede taal Nederlands.
Rom: sinds midden vorige eeuw in onze streken, spreken Romanes en als tweede taal Frans.
Oost-Europese Roma: Nederlands of Frans is 4 e of 5 e taal, zij verblijven hier dikwijls illegaal en kunnen niet terecht op de arbeidsmarkt of bij de reguliere sociale voorzieningen.
Culturele eigenheid:
Het feit dat de zigeunerkinderen moeilijk bereikbaar zijn voor ons onderwijssysteem heeft te maken met hun culturele eigenheid.
Eigenheid =cultuur .
Zij ervaren zichzelf als zelfstandig volk los van de meerderheidscultuur rondom hen ( wij ). Hun relatie tot ons willen zij bewust beperken tot de uitwisseling van goederen en diensten. Zij nemen enkel dat over wat past in hun cultuur en blijven alert dat wij van hen geen burgers zouden maken.
Wij en zij .
De nomadische maatschappij is gestructureerd via clans. De scheiding tussen zij en wij is voor hen gevoelsmatig en zeer diep. Zij hebben een fundamenteel wantrouwen tegen alles wat uit de burgerwereld komt ( ook het onderwijs). In hun taal hebben zij geen woord voor zigeuner maar wel voor niet zigeuner ( gadgo).
Hier en nu.
- ongebondenheid aan tijd en ruimte ( op tijd komen op school is een probleem.)
- weinig plannen op lange termijn ( denken aan een diploma ).
- leven, werken en wonen vormen voor hen een éénheid. Onze manier van denken
( de opdeling van de levenssferen in de burgermaatschappij ) zoals school, werk, thuis, ontspanning, godsdienst past niet in hun denkwereld.
- groot vertrouwen in geluk hebben (preventieve zorgen krijgen minder aandacht).
Socio –culturele drempels.
- ouders hebben zelf beperkte schoolervaring en negatief schoolbeeld.
- onderwijs heeft voor hen weinig relevantie ( men kan perfect overleven zonder school).
- vrees dat kinderen door de school gaan vervreemden.
- wat op school belangrijk is ( vb.op tijd komen) staat haaks op wat thuis belangrijk is.
- opleiding moet voor hen praktisch zijn ( schrijven ,lezen ,rekenen). Abstracte doelen zoals zelfontplooiing of algemene ontwikkeling zijn voor hen geen reden om naar school te gaan.
Psycho-pedagogische drempels.
Hun waardenbeleving, vaardigheden of aspiraties voor de toekomst zijn niet onderwijsgericht.
- de grove motoriek wordt vlug ontwikkeld ( lopen , in bomen klimmen , fietsen) terwijl er zelden speelgoed,teken-of knutselmateriaal aanwezig is waarmee de fijne motoriek kan ontwikkelen.
- kinderen hebben onbeperkte bewegingsvrijheid en kunnen op elk moment hun activiteiten zelf kiezen.
- hun beleving van ruimte en tijd staat haaks op de gestructureerde schoolorganisatie.
- beloning en straf zijn momentgebonden, wat vandaag is toegelaten is morgen verboden.
- voor hen is het niet evident dat de regels van vandaag ook morgen nog gelden.
- zij hebben het dikwijls moeilijk met gezag van meerdere leerkrachten. In hun clansysteem is er één leider.
Jana Haemels.
Bibliografie.
Geraadpleegd op 27/12/2010 om 22.00 uur:
http://users.telenet.be/ws35421/newpage1.htm
Vlaams Centrum voor Woonwagenwerk