donderdag 30 december 2010

Onderwijs voor zigeunerkinderen

Hoofdstuk 3 van “Zorg en de staat” schetst de evolutie van het lager onderwijs in Europa en Amerika sinds de 18 e eeuw. Rijken en gegoede burgers vonden het lager onderwijs voor de boerenkinderen onnodig ( gevaarlijk) omdat de boeren in opstand zouden kunnen komen of hogere ambities koesteren. De boeren zelf zagen het nut van onderwijs voor hun kinderen ook niet in. Ze waren hun hulp op het land kwijt.
Op blz. 66 lees ik “ Anderzijds waren boeren, knechts en armen ook niet bijzonder gediend van onderwijs voor hun kinderen. Zij hadden de helpende hand of de bijverdienste van de kinderen van zeer jongs af aan nodig Bovendien dachten ouders dat lezen en schrijven in het latere leven van weinig praktisch nut zouden zijn”.
Ik vergelijk deze situatie met deze van de zigeunerkinderen in onze maatschappij.
Het is zeer moeilijk om deze doelgroep te bereiken. Hun ouders zijn zich evenmin bewust van het nut van onderwijs voor hun kinderen. Ze moeten bedelen of helpen bij de broodwinning van hun ouders ( leurhandel, schroothandel enz.). In sommige steden ( vb. Leuven ) werden in het verleden projecten opgestart om zigeunerkinderen naar school te krijgen. Met subsidies van de Vlaamse Gemeenschap konden de kinderen worden opgehaald aan het woonwagenterrein. Het wegvallen van deze subsidies in 2002 had voor gevolg dat het aantal schoolgaande Roma kinderen terugviel van 34 naar 6.

Doelgroepen:
Voyageurs: autochtone afstammelingen van trekkende handelaars, meestal Nederlandstalig en verblijvend op gemeentelijke terreinen.
Manoesjen: sinds 15 e eeuw in onze streken, spreken als eerste taal Manoesj en tweede taal Nederlands.
Rom: sinds midden vorige eeuw in onze streken, spreken Romanes en als tweede taal Frans.
Oost-Europese Roma: Nederlands of Frans is 4 e of 5 e taal, zij verblijven hier dikwijls illegaal en kunnen niet terecht op de arbeidsmarkt of bij de reguliere sociale voorzieningen.

Culturele eigenheid:
Het feit dat de zigeunerkinderen moeilijk bereikbaar zijn voor ons onderwijssysteem heeft te maken met hun culturele eigenheid.
Eigenheid =cultuur .
Zij ervaren zichzelf als zelfstandig volk los van de meerderheidscultuur rondom hen ( wij ). Hun relatie tot ons willen zij bewust beperken tot de uitwisseling van goederen en diensten. Zij nemen enkel dat over wat past in hun cultuur en blijven alert dat wij van hen geen burgers zouden maken.
Wij en zij .
De nomadische maatschappij is gestructureerd via clans. De scheiding tussen zij en wij is voor hen gevoelsmatig en zeer diep. Zij hebben een fundamenteel wantrouwen tegen alles wat uit de burgerwereld komt ( ook het onderwijs). In hun taal hebben zij geen woord voor zigeuner maar wel voor niet zigeuner ( gadgo).
Hier en nu.
-         ongebondenheid aan tijd en ruimte ( op tijd komen op school is een probleem.)
-         weinig plannen op lange termijn ( denken aan een diploma ).
-         leven, werken en wonen vormen voor hen een éénheid. Onze manier van denken
( de opdeling van de levenssferen in de burgermaatschappij ) zoals school, werk, thuis, ontspanning, godsdienst past niet in hun denkwereld.
-         groot vertrouwen in geluk hebben (preventieve zorgen krijgen minder aandacht).

Socio –culturele drempels.
-         ouders hebben zelf beperkte schoolervaring en negatief schoolbeeld.
-         onderwijs heeft voor hen weinig relevantie ( men kan perfect overleven zonder school).
-         vrees dat kinderen door de school gaan vervreemden.
-         wat op school belangrijk is ( vb.op tijd komen) staat haaks op wat thuis belangrijk is.
-         opleiding moet voor hen praktisch zijn ( schrijven ,lezen ,rekenen). Abstracte doelen zoals zelfontplooiing of algemene ontwikkeling zijn voor hen geen reden om naar school te gaan.
Psycho-pedagogische drempels.
Hun waardenbeleving, vaardigheden of aspiraties voor de toekomst zijn niet onderwijsgericht.
-         de grove motoriek wordt  vlug ontwikkeld ( lopen , in bomen klimmen , fietsen) terwijl er zelden speelgoed,teken-of knutselmateriaal aanwezig is waarmee de fijne motoriek kan ontwikkelen.
-         kinderen hebben onbeperkte bewegingsvrijheid en kunnen op elk moment hun activiteiten zelf kiezen.
-         hun beleving van ruimte en tijd staat haaks op de gestructureerde schoolorganisatie.
-         beloning en straf zijn momentgebonden, wat vandaag is toegelaten is morgen verboden.
-         voor hen is het niet evident dat de regels van vandaag ook morgen nog gelden.
-         zij hebben het dikwijls moeilijk met gezag van meerdere leerkrachten. In hun clansysteem is er één leider.


Jana Haemels.



Bibliografie.
Geraadpleegd op 27/12/2010 om 22.00 uur:
http://users.telenet.be/ws35421/newpage1.htm
Vlaams Centrum voor Woonwagenwerk

dinsdag 28 december 2010

De schoolstrijd in België

Hiermee wordt de strijd tussen het officieel onderwijs (ingericht door de staat, provincies en gemeenten) en het katholiek onderwijs bedoeld. De schoolstrijd kan niet losgekoppeld worden van het begrip “verzuiling”.

Verzuiling.
Verzuiling bestaat uit het ontstaan en de groei van aparte werelden voor katholieken,protestanten en socialisten in de politiek,onderwijs,jeugdbeweging,ziekenzorg enz. De verzuiling in België bereikte haar hoogtepunt tussen 1930 en 1960. Als men vb in een katholiek nest werd geboren sprak het voor zichzelf dat men naar een katholieke school ging, zich aansloot bij de katholieke mutualiteit, vakbond en jeugdvereniging.
Men leerde de andersdenkenden kennen via de opiniebladen van de eigen zuil (subjectief) dus.Bij de schoolstrijd bleek welke gevaarlijke afmetingen die wederzijdse anti gevoelens konden aannemen. De wortels van de verzuiling liggen in de eerste 75 jaar van de Belgische staat.De politieke elite van toen koos voor het uitbesteden van maatschappelijke activiteiten zoals onderwijs en ziekenzorg aan particuliere initiatieven. Hierdoor namen de conflictkansen tussen katholieken en liberalen af en de compromiskansen namen toe. De katholieken konden hierdoor zelfstandig opties nemen in vb het onderwijs. Het Belgisch compromismodel was  geboren; De katholieken erkenden de basisprincipes van de Belgische staat ( vrijheid van onderwijs, vereniging en meningsuiting ) die de liberalen dierbaar waren maar gebruikten ze om een katholieke “deelstaat” tot stand te brengen. Ze verenigden honderden katholieke organisaties rond de kerk. De socialisten deden hetzelfde vanaf 1880 en de liberalen vanaf 1920. 25 jaar geleden groeiden de zuilen uit tot echte machtsapparaten.
De verzuiling heeft twee kenmerken.
-         Er ontstonden drie machtsblokken of netwerken van organisaties met invloed zowel in de diepte ( op alle niveaus van de besluitvorming ) als in de breedte (vb. raad van beheer van de BRT, benoeming en promotie van rechters, ziekenzorg, geschreven pers).
-         Autonomie t.o.v. de staat (particulier initiatief) en overheidssubsidiëring van eigen activiteiten. Zo betalen de ( gekleurde) vakbonden werkloosheidvergoedingen uit en worden zij hiervoor vergoed door de overheid.

De schoolstrijd ( 1950-1958).
Na de tweede wereldoorlog gingen meer jongeren naar het secundair onderwijs. Dit woog op het onderwijsbudget van de staat maar nog meer op het budget van het katholiek onderwijs
 ( was niet gesubsidieerd ) en was aangewezen op het innen van schoolgeld en bezuinigen op de weddes van leerkrachten. De CVP regeringen Pholien en Van Houtte kenden subsidies toe aan de vrije secundaire scholen ( Wetten Harmel van 1951 en 1952 ). Bovendien was er ook de Wet van 17/12/1952 die gemengde commissies in het leven riep. Vertegenwoordigers van het officieel en het vrij onderwijs moesten adviezen formuleren over de leerprogramma’s van rijksscholen en erkenning van katholieke scholen. Voor de oppositie betekende dit een oorlogsverklaring aan het rijksonderwijs. De ruime toelage aan het katholiek onderwijs aanzagen zij als oneerlijke concurrentie en de door de gemengde commissies zoudend e katholieken een controlerecht krijgen op het officieel onderwijs.
De verkiezingen van 11/04/1954 stonden in het teken van de schoolstrijd. De CVP verloor de verkiezingen.De nieuwe regering was een coalitie van BSP ( Belgische Socialistische Partij) met liberalen onde rleiding van Van Acker. Onderwijsminister Collard ontsloeg 110 leerkrachten met een diploma uit het vrij onderwijs die lesgaven in het rijksonderwijs.
Er kwamen ook wetten die de toelagen aan het vrij onderwijs verminderden en de Wetten Harmel neutraliseerden. De onrust en het (straat)protest kenden een hoogtepunt met de mars op Brussel op 26 maart 1955. Op 1 juni 1958 kwam de CVP terug aan de macht. Op initiatief van de CVP regering Eyskens werd de Nationale Schoolcommissie opgericht ( voorzitter + 3 leden van de nationale partijen: katholieken, liberalen en socialisten). Ze werkten een compromis uit dat resulteerde in het Schoolpact van 20 november 1958.
Principes van het Schoolpact:
-         vrijheid van schoolkeuze.
-         voortgezet onderwijs is kosteloos.
-         leerkrachten in het rijksonderwijs en het vrij onderwijs kregen dezelfde bezoldiging.
-         de staat kreeg het recht om een volledig onderwijsnet uit te bouwen.
-         het vrij onderwijs kreeg wedde-, werkings-en uitustingstoelagen.

Jana Haemels

Bibliografie:
Huyse, L (1987). De gewapende vrede.Politiek in België na 1945. Kritak, Leuven (7 e druk).
Geraadpleegd op 26 december 2010, op

Geraadpleegd op 26 december 2010, op
                                                                                                                       

Zorg en de staat…

En wat als de staat bij de verzorging in gebreke blijft?

Asielzoekers en daklozen in de kou, een jaarlijks weerkerend fenomeen.
Bij de eerste winterprik werden we net als verleden jaar geconfronteerd met schrijnende beelden van gezinnen asielzoekers die hun toevlucht zochten in “ hotel noordstation “ te Brussel. Politiekers schoven elkaar de zwarte piet toe. De burgemeester van Schaarbeek wou de asielzoekers uit het noordstation wegwerken want hun veiligheid kwam in het gedrang.
Asielbeleid is een federale verantwoordelijkheid maar het was op initiatief van de Vlaamse staatssecretaris voor Mobiliteit in de  Brusselse regering Bruno de Lille dat de hulp op gang kwam. Er werd een ruimte met dekzeilen afgebakend, warmtekanonnen en veldbedden werden voorzien. Nadien kwam er extra opvang in legerkazernes en schoten andere organisaties ( vb. universiteiten en OCMW’s ) in actie. Ook particulieren konden het niet langer meer aanzien en boden een bed aan. Er was zelfs een frietkramer uit Willebroek die een dag gratis frieten ging bakken in de Marollen. Allemaal goed bedoelt maar een druppel op een hete plaat.

De opvang van asielzoekers in België.
Meer dan 20 jaar lang werd de materiële steun en opvang van asielzoekers geregeld in de OCMW wetgeving ( Wet van 8 juli 1976). In een richtlijn van 27/01/2003 verplichtte de Europese commissie de lidstaten om tegen 5/2/2005 minimum normen voor de opvang van asielzoekers in hun nationale wetgeving te voorzien. In België gebeurde dat in januari 2007. Sedert dan zijn de regels voor materiële hulp aan asielzoekers gebundeld in de opvangwet van 12/01/2007 ( verschenen in Belgisch Staatsblad op 7/05/2007 ) en momenteel samen met de uitvoeringsbesluiten volledig van kracht . In een poging om de toestroom van asielzoekers in te dijken werd het accent van geldelijke steun verlegd naar opvang en materiële hulp.

Wat houdt de materiële hulp in?
Volgens Titel I, Artikel 6 van de opvangwet: de materiële hulp wordt verleend door het Agentschap (Fedasil) of de partners binnen de opvangstructuur en bestaat uit: huisvesting, voeding, kleding, medische maatschappelijke en psychologische bijstand, de toekenning van een dagvergoeding, juridische bijstand, beroep op tolkdiensten, opleiding en programma’s tot vrijwillige terugkeer.

Gebrek aan opvangplaatsen.
Door de grote toestroom van asielzoekers en het gebrek aan opvangplaatsen kan de overheid haar eigen wetgeving niet nakomen. Asielzoekers worden noodgedwongen op hotel gelogeerd of in vakantiecentra van mutualiteiten. Bij de eigen bevolking komt dat slecht over
( asielzoekers gaan op onze kosten op hotel terwijl er genoeg dakloze Belgen zijn...).
In de landen van herkomst krijgt België de status van “het beloofde land” . Als asielzoekers dan nog via de rechtbank riante schadevergoedingen krijgen toegekend omdat de overheid in gebreke blijft bij de materiële opvang is het hek helemaal van de dam.

Is particulier initiatief aangewezen als de staat in gebreke blijft?
De overheid blijft in gebreke, dat is duidelijk. De vraag is: wat nu?
Burgemeester Termont van Gent vraagt aan zijn inwoners dat ze de Roma zigenuners niet helpen. Daniël Termont zegt: ”Mensen, toon alstublieft uw goed hart niet, ook al breekt het bij het zien van zoveel ellende.Bied de Roma geen onderdak, geen dekens, geen soep, want hoe meer je ze helpt, hoe meer er naar Gent komen.En onze stad zit nu al overvol.”
 Zijn oproep zet kwaad bloed bij de vrijwilligers die zich de vraag stellen:” Wat wil Termont eigenlijk? Dat we die mensen laten doodvriezen?”

Mijn persoonlijke mening:
België, een rijk land met Brussel als hoofdstad waar zetels van diverse Europese instellingen en de NAVO zijn gevestigd kan zich niet permitteren om mensen te laten doodvriezen op straat. Langs de andere kant zijn we ook niet het OCMW van de wereld. De asielzoekers die er nu zijn moeten we opvangen maar naar de toekomst toe is er een krachtdadig beleid nodig.
Momenteel zijn er verschillende ministers en staatssecretarissen bevoegd voor de asielproblematiek. Vervang die door één minister en voer een kordaat uitwijzingsbeleid indien de asielaanvraag wordt afgewezen. Nu tekenen uitgeprocedeerden een bevel om het grondgebied te verlaten binnen de vijf dagen, ze negeren dat en blijven gewoon hier.
Vooral de procedure zelf moet vlugger worden afgehandeld zodat asielzoekers weten waar ze aan toe zijn. Je kunt het niet maken om mensen na jaren uit te wijzen op het moment dat hun kinderen hier naar school gaan, vrienden hebben gemaakt en zijn geïntegreerd in onze maatschappij. Als we consequent uitwijzen wiens asielaanvraag wordt geweigerd zal de instroom stilvallen.

Jana Haemels