dinsdag 22 februari 2011

Kinderbijslag in België.

Geschiedenis.
De eerste vormen van kindergeld doken op in Frankrijk aan het begin van de 20 ste eeuw.
In België werd vanaf 1915 door verschillende werkgevers voor het eerst de factor “kind” in aanmerking genomen bij de vaststelling van de bezoldiging van hun personeel.
Staatsambtenaren en ambtenaren van provinciale en gemeentelijke besturen kregen kindergeld vanaf 1919. Op 1 december 1922 startte een centraal orgaan onder de benaming “Comité d’Etude des Allocations Familiales “. Later werd dit de Vereniging der Kassen voor Gezinsvergoedingen. Vanaf 1924 werden verschillende wetsvoorstellen betreffende kinderbijslag ingediend. Op 14 april 1928 werd de eerste wet op het gebied van gezinsvergoedingen van kracht. Hierna volgde de wet van 4 augustus 1930 op de veralgemening van de gezinsbijslagen..
Kinderbijslag werd een onderdeel van de sociale zekerheid en een wettelijk recht voor alle werknemers in de industrie, de landbouw, de vrije beroepen en de openbare diensten.
De “Hulpkas voor Kinderbijslagen van de Staat” werd opgericht. Werkgevers die zelf geen kinderbijslagfonds kozen werden hierbij van rechtswege aangesloten.
De kinderbijslag voor zelfstandigen en bedrijfsleiders werd ingevoerd bij de Wet van10 juni 1937 en bij het organiek besluit van 22 december 1938.

Rijksdienst voor Kinderbijslag van Werknemers.
De hoofdzetel van deze dienst is gevestigd te 1000 Brussel Trierstraat 70.In elke provincie is er een provinciaal bureau.
Takenpakket:
zorgen voor een efficiënt beheer van de kinderbijslagregeling voor werknemers zodat elk gezin de kinderbijslag krijgt waar het recht op heeft.
● aansturing van de werking van 17 kinderbijslagfondsen die jaarlijks voor +/- 4 miljard EUR kinderbijslag betalen aan 1,1 miljoen gezinnen.
● ontwikkeling en optimale toepassing  van elektronische gegevensstromen voor het ganse stelsel. De bedoeling is dat het recht op kinderbijslag automatisch onderzocht wordt zonder dat de gezinnen zelf veel informatie moeten verstrekken.
● de Rijksdienst is als enige bevoegd voor de gewaarborgde gezinsbijslag. Dit is het ultieme
vangnet voor kansarme gezinnen die in geen ander stelsel recht hebben op gezinsbijslag.
● actieve ondersteuning van het gezinsbeleid van de regering. Door het toezicht op de goede werking van de kinderbijslagregeling kan de Rijksdienst de sociale draagwijdte meten van de uitgewerkte maatregelen. Op basis hiervan neemt de dienst initiatieven voor bijsturingen. De Rijksdienst werkt mee aan het ontwerpen van wetten en koninklijke besluiten en raamt de financiële impact ervan.
● zorgen voor een proactief informatie –en communicatiebeleid op maat van de gezinnen.
● subsidiëring van zo’n 370 kinderopvangprojecten op meer dan 1000 locaties via het Fonds voor Collectieve Uitrustingen en Diensten.

Voer voor discussie:
In de hele discussie rond de splitsing van de sociale zekerheid duikt ook de kinderbijslag op.
Bij een regionalisering van de kinderbijslag zou vb. een Vlaams kind recht hebben op meer of minder kinderbijslag dan een Waals kind…
Momenteel is de basis van de kinderbijslag inkomensonafhankelijk. Via aftrekposten als kinderen ten laste gebeurt er wel een correctie via de fiscaliteit ( hoe meer kinderen ten laste, hoe groter de aftrekpost ). Grote inkomens worden dus bevoordeeld terwijl kinderen uit armere milieus meer nood hebben aan financiële ondersteuning
De leeftijdsgrens voor kindergeld ligt nu op 25 jaar tenzij het kind zelf een inkomen heeft dat hoger ligt dan bepaalde barema’s.
Er gaan stemmen op om de leeftijdsgrens te verlagen tot 18 jaar. Vanaf dan is men meerderjarig. Dat zou een oplossing kunnen zijn voor de problemen die jobstudenten nu ondervinden ( als ze boven een bepaald bedrag bijverdienen verliezen hun ouders het recht op kindergeld).
Door het verlagen van de leeftijdsgrens van 25 naar 18 jaar zou er geld vrijkomen dat zou kunnen worden geïnvesteerd in betaalbare kinderopvang. Dit maakt het voor jonge ouders aantrekkelijker om buitenhuis te gaan werken.

Jana Haemels


Bibliografie:

Geraadpleegd op 22/02/2011 om 14.00 uur
Politiek secretaris Jong VLD Kapellen

http://www.rkw.be/Nl/Info/Who/whoMission.php
Rijksdienst voor Kinderbijslag van Werknemers

Geschiedenis van het Algemeen Christelijk Vakverbond.

Het christelijke syndicalisme is ontstaan in de 19 de eeuw als gevolg van de industriële revolutie. Machines en fabrieken zorgden voor het ontstaan van een nieuwe beroepscategorie: de fabriekarbeider. Hun arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden waren erbarmelijk: werkdagen van meer dan 14 uur in ongezonde werkplaatsen en tegen een hongerloon.Kinderarbeid was schering en inslag. Arbeidersgezinnen leefden in erbarmelijke leefomstandigheden. Sociale voorzieningen waren onbestaande. Wie werkloos werd of een arbeidsongeval had was op zichzelf aangewezen.Het ongenoegen stak de kop op en er braken rellen uit. Het grote probleem was dat de arbeiders niet georganiseerd waren.

In die context ontstond de christelijke vakbeweging in ons land. De kiemen van de vakbeweging lagen in de textielindustrie. In die tijd was dit een belangrijke sector. Door de invoering van nieuwe weefgetouwen was de industriële revolutie daar het eerst merkbaar.
Op 4 maart 1857 werd in Gent de “Broederlijke Maatschappij der Wevers”opgericht en een maand later richtten de spinners hun “ Maatschappij der Noodlijdende Broeders “ op. Zij
waren de eerste vakverenigingen. Wat opviel was dat zij zich gematigd opstelden en open stonden voor alle arbeiders ongeacht hun politieke voorkeur of levensbeschouwing.Er ontstonden meningsverschillen omdat een radicale minderheid  inspiratie vond in het opkomende socialistische gedachtengoed  en koos voor de klassenstrijd als strategie om tot een rechtvaardige samenleving te komen. Een aantal textielarbeiders scheurden zich af en stichtten in 1886 de “Antisocialistische Katoenwerkersbond “. Hieruit zou later het ACV groeien De nadruk kwam te liggen op klassensamenwerking in plaats van klassenstrijd.
Ook arbeiders uit andere beroepen gingen zich organiseren. De kerk en de katholieke burgerij wilden een gemengde werking, arbeiders en patroons samen in één vereniging. Er ontstonden gemengde vakafdelingen in door de burgerij gepatroneerde gilden en werkmanskringen. Rond 1900 moesten die gemengde christelijke beroepsverenigingen plaats ruimen voor zelfstandige christelijke vakverenigingen, enkel voor en door arbeiders.

Ik leg hier de link met hoofdstuk 6 titel 4.3 blz.182 van “Zorg en de staat” waarin ik lees:
De vakbonden moesten hun hoge verwachtingen van ofwel zelfhulp ofwel een aanstaande revolutie opgeven en bovendien de krappe belangen van plaatselijke afdelingen of afzonderlijke bedrijfstakken overstijgen, voor ze zich tot een nationale verzekering konden bekeren. Verschillende beroepsgroepen moesten hun krachten verenigen, sektarische scheidslijnen moesten overbrugd worden, plaatselijke afdelingen dienden zich op provinciale, regionale en tenslotte nationale schaal te verenigen”.

In 1904 richtte de jonge Dominicanerpater Rutten het “ Algemeen Secretariaat der Christelijke Beroepsverenigingen”op. In 1908 kwam het Vlaams verbond tot stand en in 1909 de Waalse confederatie. In 1912 versmolten beide regionale federaties in één nationale confederatie, het “Algemeen Christelijk Vakverbond/ Confédération générale des Syndicats Chrétiens et libres de Belgique”.De Gentse syndicale voorman Gustaaf Eylenbosch werd
verkozen tot de eerste ACV-voorzitter.

Persoonlijke bedenking: in de hele discussie rond de splitsing van de sociale zekerheid zijn de vakbonden hier resoluut tegen. Zij wensen de sociale zekerheid op het nationale niveau te behouden. Je kan  pro of contra zijn maar als ik zie dat de vakbonden historisch gezien de omgekeerde weg hebben afgelegd ( van het plaatselijke regionale niveau naar het nationale niveau) kan dat hun houding verklaren.

In de jaren ’30 heerste er een economische crisis. Samen met de socialistische vakvereniging organiseerde het ACV in 1936 de “staking der 500.000 “. Het resultaat van deze succesvolle staking was:
● een week betaald verlof
● het principe van de 40 –urenweek
● gewaarborgd minimumloon en verhoogde kinderbijslagen
Het ACV werd door de socialistische vakbond en de overheid erkend als gesprekspartner.



De periode na de oorlog was een periode van geprogrammeerde welvaart via overleg.
Tussen 1944 en 1948 werden acht nationale arbeidsconferenties georganiseerd.
Mijlpalen:
1948: Wet op de organisatie van het bedrijfsleven. Die wet leidde tot de oprichting van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de Nationale Arbeidsraad.
1950: eerste sociale verkiezingen

 Jana Haemels.